Historie

HONKBALGESCHIEDENIS 1

Bron: “ Honkbal veroverde Goud “, 50 Jaar Koninklijke Nederlandse Honkbal Bond.
Auteurs: Wim Hamel, Guus van der Heijden en Theo Vleeshhouwer.

“Van geboorte tot volwassen” 
1908/1912 – 1952

De eerste wankele stappen van de (Koninklijke) Nederlandse Honkbal Bond zijn overbekend. Reeds in 1908 wordt honkbal in ons land gesignaleerd en wanneer in 1912 de belangen van een aantal verenigingen moeten worden behartigd, wordt op initiatief van wijlen de heer J.C.G. Grasé, die in de Verenigde Staten met ons spel had kennisgemaakt, in Amsterdam op 16 maart 1912 de Nederlandse Honkbal Bond opgericht, die 40 jaar later het predicaat Koninklijk zal verwerven.

Die eerste jaren is het een komen en gaan van verenigingen. Slechts Quick – in 1913 opgericht – heeft zich al die jaren kunnen handhaven en heeft dus als eerste Nederlandse honkbalvereniging in 1963 het gouden jubileum kunnen vieren. Met Quick zijn we tegelijkertijd aangeland bij wijlen de heer E. Bleesing, voorzitter en erevoorzitter van de K.N.H.B. Aanvankelijk was de heer Bleesing lid van A.H.C., maar in 1914 trad hij tot Quick toe en daarmee begon Bleesing een schitterende “carrière” als honkballeider.
Zouden wij al zijn kwaliteiten moeten beschrijven, dan zou er een boek mee kunnen worden gevuld. Wij weten dat veler gedachten bij het 50-jarig jubileum ongetwijfeld zullen uitgaan naar de man die zich met zijn gehele persoonlijkheid in dienst van de bond stelde.
Zondag 13 maart 1951 werd de Nederlandse honkbalwereld opgeschrikt door het ontstellende bericht van het plotselinge overlijden van de heer E. Bleesing.
Zijn betekenis is o.m. vastgelegd in het Honkbalnieuws van 16 mei 1951 met daarin o.a.:
“De dood heeft hier onherroepelijk een eindstreep gezet onder het leven van een leidende figuur in het sportleven van ons land. De weloverdachte leiding die hij gaf aan het sportleven, speciaal aan het honkballeven, was hem als een zelf gekozen levenstaak geworden, waartoe hij zich zette op alle vrije ogenblikken, die zijn drukke zakenleven hem lieten. Hij volvoerde die taak in vele leidende functies, zowel in als buiten ons bond. Hij diende deze levenstaak, uitgaande van en gedragen door een bepaalde levensvisie en levensstijl, welke ook duidelijk naar voren trad als leidende factoren bij zijn sportleven en bij zijn organisatorische arbeid op sportgebied. Hij diende deze levenstaak het meest in zijn voorzitterschap en erevoorzitterschap van de Nederlandse Honkbal Bond. Hij was een van de stichters van onze bond. Hij was kenner van het spel in al zijn schakeringen als geen ander in ons land.
Onze grote gevoelens van erkentelijkheid, waardering en dank gaan uit naar zijn persoon. Wij zullen hem steeds blijven gedenken als de leider en strijder bij uitnemendheid voor de verwezenlijking van honkbalidealen. Zijn enorme, dikwijls stille drijvende kracht, zijn onvermoeibare energie en zijn grenzeloze toewijding aan onze honkbalzaak zullen bij ons allen steeds in dankbare herinnering blijven”.
( Noot van Wim Oosterhof: Als blijk van de grote betrokkenheid van de heer Bleesing bij het honkbal had hij in zijn woning in Zandvoort glas-in-lood-schuifdeuren laten aanbrengen waarin honkbalfiguren zijn afgebeeld. Deze deuren zijn door de familie ter beschikking gesteld van het Honkbalmuseum en daar nog altijd te bewonderen.)

De honkbalbond begon zijn grote opmars toen enkele zeer grote voetbalverenigingen – Ajax, Blauw Wit, Haarlem – zich met het spel gingen bemoeien.. Nochtans telde de Nederlandse Honkbalbond in 1924 maar zes verenigingen. In 1931 was dit aantal ruim verdubbeld en bedroeg vijftien. In 1927, bij het vijftienjarig bestaan, namen 24 negentallen aan de competitie deel.
De eerste interlandwedstrijd werd op 26 augustus 1934 gespeeld. De Belgen waren de tegenstanders van ons nationale team, dat op het RCH-terrein te Haarlem een 21 – 12 zege boekte. Het was de eerste van een reeks vaak zeer succesvolle wedstrijden.

Zilveren jubileum.
Het 25 – jarig jubileum van de bond werd in 1937, ruim700 leden tellend, op stijlvolle wijze gevierd. Het programma vermeldde o.a. een oudejaarsavondreünie op 15 maart en op 17 en 18 april volgden seriewedstrijden voor alle aangesloten verenigingen naast een jubileumwedstrijd tegen Frankrijk, die met 14 – 4 werd gewonnen. “Honkbalnieuws” kwam met een extra jubileumnummer uit. Op de oudejaarsavond werd de heer Bleesing tot erelid benoemd.

De crisisjaren voor 1940 zijn ook voor de N.H.B. bijzonder moeilijk geweest en toen in 1939 de mobilisatie in Nederland werd afgekondigd, kwam de competitie zelfs in gevaar.
In 1940 waren 34 verenigingen aangesloten en in 1941 werd – ondanks het feit dat de aan de gang zijnde tweede wereldoorlog velen persoonlijk leed berokkende – het 1000e lid ingeschreven. Bij het 30- jarig bestaan, in 1942, zijn er voor het eerst honderd negentallen in de competitie.
Ondanks materiaalschaarste zet men door en weet men, alle narigheid ten spijt, ook in 1944 en 1945 een competitieprogramma af te werken.
In 1946 waren er in totaal 45 verenigingen lid van de N.H.B. De “honkbalvlek” breidde zich langzaam over het gehele land uit en het was vlak na de tweede wereldoorlog vooral het rayon ’t Gooi – Utrecht dat in belangrijke mate tot de groei van de honkbalgemeenschap bijdroeg.
In 1946 was er – begrijpelijk – een schreeuwende behoefte aan materiaal. De vereniging Neptunus legde toen contact met de Amerikaan Norman Mac Phail en in 1948 bezorgde dit Rotterdamse initiatief de bond zeer veel materiaal. Voor de aanvang van de traditionele stedenwedstrijd Amsterdam – Haarlem, zaterdagmiddag 3 juli 1948 in het Ajax-stadion, overhandigde de ambassadeur der Verenigde Staten in Nederland, dr Baruch, symbolisch een kleine hoeveelheid Amerikaan materiaal. Het was de eerste Amerikaanse hulp die wij na 1945 ontvingen; nog veel, zeer veel hulp zou volgen.

Veertig jaar.
Het 40-jarig bestaan van de Nederlandse Honkbal Bond bracht het predicaat “Koninklijk”. Dit jubileum werd groots gevierd: een receptie, een feestmaaltijd voor genodigden en niet minder dan vier jubileumwedstrijden, waarvan twee tegen België en twee tegen Engeland.
De bond bleef groeien. 79 verenigingen in 40 jaar. Het lijkt zo op het oog niet zo heel veel, maar wie de ontwikkeling van honkbal in Nederland heeft gevolgd, weet welk een taaie strijd hiervoor is gevoerd. Dat deze strijd niet tevergeefs is geweest hebben de volgende tien jaar, van 1952 tot en met 1962 duidelijk bewezen.